Wij zetten ons in voor het algemeen belang

Contact

Lijst Babijn
Bakkersstraat 59
4501 RB Oostburg
Tel. : 0117 452945
E-mail : info@lijstbabijn.nl

  Interact Network 2017

Advies Veiligheid tegen overstromen. (Adviescommissie Water).

Adviescommissie Water. AcW-2006/103
Advies Veiligheid tegen overstromen
            1. Aanleiding
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft in haar brief van 11 augustus 2006 (DGW/WV 2006/939) aan de commissie gevraagd om advies uit te brengen over de uitvoering van het waterveiligheidsbeleid, tegen de achtergrond van de Verkenning Waterveiligheid 21e eeuw.
De Staatssecretaris heeft aangekondigd eind van het jaar een beleidsbrief aan de Kamer te zullen sturen met strategische uitgangspunten voor het toekomstige waterveiligheidsbeleid. Aan de beleidsbrief is de Verkenning Waterveiligheid 21e eeuw voorafgegaan, georganiseerd door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De verkenning bestond uit themabijeenkomsten en dijkringgesprekken in de eerste helft van 2006 en een afsluitende synthesebijeenkomst.
Het uiteindelijke doel van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is, om op basis van de verkenning, te komen tot een geactualiseerd beschermingsbeleid tegen overstromingen, waarin nieuwe kennis en inzichten met betrekking tot overstromingsrisico’s en een kosteneffectieve inzet van middelen centraal staan. Dit geactualiseerde beleid dient uitlegbaar, betaalbaar, handhaafbaar, haalbaar, gedragen en duurzaam te zijn.
Gezien het grote belang van de waterveiligheid in Nederland heeft de commissie ervoor gekozen om op dit moment een advies op hoofdlijnen uit te brengen. Dit advies dient gezien te worden als een validering en integratie van de probleempercepties zoals die de afgelopen periode door een groot aantal gezaghebbende instituten zijn gepresenteerd. Afhankelijk van de voortgang van het nieuwe waterveiligheidsbeleid zal de commissie in 2007 nader adviseren over dit onderwerp.
De commissie heeft bij het opstellen van haar advies gebruik gemaakt van eerder uitgebrachte eigen adviezen en een groot aantal recente studies en inzichten. De commissie heeft ook bilaterale gesprekken gevoerd met onder andere vertegenwoordigers van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), onderzoekers van de Universiteit Leiden, medewerkers van het KNMI en beleidsmedewerkers van DG Water. Enkele leden van de commissie hebben deelgenomen aan de verkenning. Ook heeft de gehele commissie zich op 22 juni tijdens een speciale discussiebijeenkomst met een aantal deskundigen diepgaand georiënteerd op de problematiek van de waterveiligheid. De commissie heeft nadrukkelijk kennis genomen van de resultaten van de Tweede Landelijke Toetsing van de primaire waterkeringen en de brief die de Minister naar aanleiding daarvan op Prinsjesdag aan de Tweede Kamer heeft gestuurd.
            2. Hoofdlijnen van het advies
De commissie heeft zich uitvoerig gebogen over de volledige breedte van het waterveiligheidsbeleid. Zij heeft geconstateerd dat diverse instanties zich bezighouden met de waterveiligheid van Nederland. Zowel op rijksniveau als door regionale en lokale overheden wordt gewerkt aan studies en projecten ter vergroting van de veiligheid. De verantwoordelijke instanties voor het waterveiligheidsbeleid schetsen het beeld dat Nederland veiliger is dan ooit. Projecten om de veiligheid verder te vergroten zijn in

Koningskade 4 T (070) 351 95 49 2596 AA Den Haag F (070) 351 93 93 Postbus 20906 info@adviescommissiewater.nl 2500 EX Den Haag www.adviescommissiewater.nl Bladzijde 2 van 8 Ons Kenmerk AcW-2006/103
uitvoering (Maaswerken, Ruimte voor de Rivier) of worden op korte termijn in uitvoering genomen (zwakke schakels kust). Met deze projecten zijn grote investeringen gemoeid. Tegelijkertijd tonen de dramatische gevolgen van de orkaan Katrina in de Verenigde Staten aan dat absolute veiligheid niet bestaat en dat het “ondenkbare” plotseling realiteit kan worden.
Talrijke studies en publicaties geven blijk van een discrepantie tussen de gewenste veiligheid tegen overstromingen en de actuele situatie, zowel voor de korte als voor de lange termijn. De commissie stelt vast dat de voor het veiligheidsbeleid gehanteerde normstelling gedateerd is en niet meer spoort met de actuele financieel-economische en ook immateriële waarden van de dijkringgebieden. Op basis van de Tweede Landelijke Toetsing van de primaire waterkeringen stelt de commissie eveneens vast dat de overheid er in belangrijke mate nog steeds niet in slaagt aan de wettelijk vastgestelde normen te voldoen. Er is € 1,6 miljard geraamd voor noodzakelijke investeringen in de primaire keringen. Uit de brief van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 september 2006 aan de Tweede Kamer1 blijkt dat het Kabinet tot 2011 € 420 miljoen gereserveerd heeft om een deel van de geconstateerde achterstanden in te halen. De commissie is van mening dat het volgende kabinet zo spoedig mogelijk de financiële reserveringen moet maken voor de noodzakelijke investeringen in de primaire keringen om de achterstanden in te halen en om op zo kort mogelijke termijn aan de huidige veiligheidsnormering te voldoen. Langer talmen tast de geloofwaardigheid van de overheid aan.
De commissie ondersteunt het voornemen van de Staatssecretaris om het waterveiligheidsbeleid te actualiseren en dringt erop aan om op korte termijn een samenhangende anticiperende visie op de waterveiligheid van Nederland te presenteren en te bewerkstelligen dat waterveiligheid nadrukkelijk een hogere plaats op de beleidsagenda krijgt. Daarbij is zij van mening dat een meer zekere- en continue financiering van de veiligheid tegen overstroming beter moet worden gewaarborgd dan tot nu toe, zodat deze financiering minder afhankelijk wordt van de politieke korte termijn agenda. Dit is een essentiële basisvoorwaarde voor het fysieke bestaan van grote delen van land en bevolking.
Het waarborgen van de veiligheid van de Nederlandse burgers tegen overstromen is een onomstreden kerntaak van de overheid, maar in Nederland zijn bestuurders en bewoners onvoldoende voorbereid op een overstromingsramp.
De aanpak door verschillende bestuurslagen heeft een versnipperd karakter. De voor waterveiligheid verantwoordelijke overheden zullen zich organisatorisch beter moeten voorbereiden op de grote gebiedsomvang van overstromingen en de grotere impact van het risico. Daarnaast is een andere inrichting en architectuur van ruimtelijke ordeningsprocessen aan de orde. De overheid dient hierbij vroegtijdig gebruik te maken van de kennis en kunde van de buitenwereld/de markt, zodat er meer aandacht komt voor innovatieve oplossingen voor water in ruimtelijke ordeningsplannen. Een innovatieve aanpak kan niet alleen leiden tot nieuwe inzichten en oplossingen maar creëert ook kansen voor de Nederlandse watersector in haar positionering op de internationale markt.
Preventie en overheidszorg dienen belangrijke pijlers onder het waterveiligheidsbeleid te blijven, maar tegelijkertijd dient meer aandacht gegeven te worden aan het eind van de veiligheidsketen en aan de eigenverantwoordelijkheid en rol van de burger.
1 DGW/WV 2006/1016

Bladzijde 3 van 8 Ons Kenmerk AcW-2006/103
Belangrijk is de bewustwording van de urgentie van de problematiek bij zowel burgers, bestuurders en politiek alsmede het bedrijfsleven. Bij de agendering van waterveiligheid als een risico dat intensieve aandacht behoeft, is het wenselijk dat er begrijpelijk over risico wordt geïnformeerd en gecommuniceerd zonder een groter gevoel van onveiligheid te geven.
Voorts is de commissie van mening dat een omslag in het denken rondom de waterveiligheid noodzakelijk is: kwantitatieve veranderingen vereisen een kwalitatieve sprong. Dat betekent dat reeds nu in belangrijke mate geanticipeerd moet worden op de lange termijnproblematiek.
Niet alleen moeten de bestaande achterstanden in de huidige veiligheidssituatie ingehaald worden, maar tegelijkertijd bestaat de noodzaak tot het structureel en integraal bekijken van de gevolgen van klimaatverandering en bodemdaling in relatie tot de toekomstige veiligheid en de ruimtelijke inrichting van ons land.
Tenslotte wijst de commissie erop dat ook aanzienlijke lange termijn investeringen nodig zijn ten aanzien van wateroverlast, stedelijk waterbeheer, de rioleringsproblematiek en de Kaderrichtlijn Water. Gezien de verwachte omvang van deze investeringen is een gestructureerde planning met tijdige financiële reserveringen absoluut noodzakelijk.
            3. Nadere toelichting en aanbevelingen
In het onderstaande geeft de commissie een nadere beschrijving van haar inzichten en formuleert zij aanbevelingen ten aanzien van een aantal aspecten van het waterveiligheidsbeleid.
De commissie richt haar aanbevelingen met name op de directe beïnvloedingsmogelijkheden rondom de veiligheidsketen (van preventie tot evacuatie en nazorg). Dat betekent dat de verwachte klimaatveranderingen als gegeven worden aangenomen. Het staat uiteraard buiten kijf dat de inspanningen van de regering om via de bronkant tot een vermindering van de klimaatproblematiek te komen moeten worden voortgezet (Kyoto, verminderen emissies).
3.1 Normstelling en risico
De normstelling en uitgangspunten voor het veiligheidsbeleid zijn gebaseerd op de situatie na de overstromingsramp in Zuidwest Nederland in 1953. Het veiligheidsbeleid in Nederland is sterk preventief gericht en kent onvoldoende reactievermogen bij crisisbeheersing.
De kans op overstromen is toegenomen door bodemdaling en verschijnselen die samenhangen met klimaatverandering, zoals het stijgen van de zeespiegel, aard en frequentie van stormen en zware regenval. De recente klimaatscenario’s van het KNMI geven aan dat in de toekomst nadrukkelijk rekening gehouden moet worden met andere neerslag- en afvoerpatronen en met een niet te verwaarlozen stijging van de zeespiegel.
Ook de gevolgen zijn aanmerkelijk groter geworden door bevolkingsgroei, verdere verstedelijking, industriële investeringen en vergrote afhankelijkheid van grootschalige technologie. Het risico (kans x gevolg) is zodoende aanzienlijk toegenomen. De huidige veiligheidsbenadering met vier normniveaus heeft geen relatie meer met de ruimtelijke differentiatie van de te beschermen waarden in de verschillende dijkringgebieden.

Bladzijde 4 van 8 Ons Kenmerk AcW-2006/103
Onderzoek heeft uitgewezen dat het risico van een overstroming in vergelijking met andere veiligheidsrisico’s zeer veel groter is. De consequenties hiervan in een dichtbevolkt land als Nederland ten aanzien van slachtoffers en economische schade zijn enorm. Een denkbeeldige doorbraak in dijkring 14 (Zuid Holland) zou maximaal € 37 miljard schade aanrichten2, ongeveer een miljoen mensen zouden worden getroffen en in het ergste geval zouden duizenden mensen omkomen3.
De commissie is van mening dat het begrip overstromingskans veel meer zegt over de werkelijke veiligheid dan het begrip overschrijdingskans. Door hantering van de overstromingskans als invalshoek kan de stap worden gemaakt naar overstromingsrisico’s: het product van de daadwerkelijke kans op een overstroming en het gevolg van die overstroming. De commissie adviseert deze gedachte in het nieuwe waterveiligheidsbeleid verder uit te werken.
Voorshands is de commissie van mening dat de bestaande veiligheid volgens de huidige normen niet minder zou moeten worden. Daarbij moet de wetgeving flexibel in kunnen spelen op de toekomst. Bij de verdere uitwerking van het veiligheidsbeleid op basis van overstromingskansen moet blijken in hoeverre de realisatie van differentiatie per dijkring gewenst en mogelijk is. Vanuit de gebiedsgerichte benadering die hiervoor nodig is, dienen ook de normen en de toetssystematiek voor alle niet-primaire waterkeringen op korte termijn vastgesteld te zijn.
De commissie is voorstander van het gebruik van een methode om tot normen te komen waarbij naast de economische schade en het aantal potentiële slachtoffers ook wateroverlastschade en sociale ontwrichting meegenomen wordt. Voorts stelt de commissie voor om te bezien of de (on)mogelijkheden voor evacuatie in normen vertaald kunnen worden.
De commissie bepleit het continueren van het toetsingsinstrument om de sterkte van de waterkeringen periodiek te keuren. De commissie heeft zich er over verbaasd dat de vijfjaarlijkse toetsing in 2006 nog steeds een zo incompleet beeld oplevert. Zo blijkt dat over 32% van de primaire kering en bijna de helft van de 942 beoordeelde kunstwerken geen oordeel over de veiligheid kan worden afgegeven. Zij acht het noodzakelijk dat in komende toetsingen een volledig beeld gepresenteerd wordt.
De commissie stelt voor te onderzoeken of de hydraulische randvoorwaarden voor iedere toetsing zodanig zijn vast te stellen dat reeds geanticipeerd wordt op toekomstige veranderingen, in plaats van stelselmatig achter de feiten aan te hollen.
3.2 Organisatie en financiën
De noodzaak tot het nemen van maatregelen om aan het huidige veiligheidsbeleid te voldoen wordt ook door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat onderkend. Echter, uit de resultaten van de tweede landelijke toetsing van de primaire waterkeringen blijkt, dat een kwart van de primaire waterkeringen nog steeds niet op orde is. Van ruim 30% is dit onduidelijk. De kosten van maatregelen om de komende jaren de primaire keringen op orde te krijgen liggen rond de € 1,6 miljard. In de begeleidende brief van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 september 2006 wordt gemeld dat het Kabinet geld heeft gereserveerd om tot 2011 de belangrijkste prioriteiten aan te
2 Risicocase dijkring 14 Zuid-Holland, berekening van het overstromingsrisico: Veiligheid Nederland in Kaart [VNK], rapport DWW-2006-010
3 Inschatting van het aantal slachtoffers ten gevolge van overstroming Dijkringen 7, 14 en 36: Veiligheid Nederland in Kaart [VNK], rapport DWW-2006-012

Bladzijde 5 van 8 Ons Kenmerk AcW-2006/103
pakken: op basis van de rijksbegroting 2007-2011 komt € 420 miljoen beschikbaar. Een programma voor de periode na 2011 ontbreekt; tot 2020 moet dus nog € 1,2 miljard beschikbaar komen. In dit tempo zal het nog tot ver na 2020 duren voordat de waterkeringen zijn aangepast aan de hydraulische randvoorwaarden van 2006.
De commissie is van mening dat door de toenemende overstromingsrisico’s vanwege zeespiegelstijging, klimaatverandering en bodemdaling een hogere (financiële) prioriteit aan waterkeren moet worden gegeven dan nu het geval is. Het gaat hierbij enerzijds om te voldoen aan de wettelijke normen en anderzijds aan het laten voldoen van de waterkeringen aan nieuwe inzichten en kennis.
De commissie dringt aan op een snellere aanpak van geconstateerde achterstanden in versterking van de primaire waterkeringen, onafhankelijk van andere prioriteiten op de landelijke politieke agenda en uitgaande van de lange termijn. Daarnaast vindt de commissie dat de aanpak van achterstanden niet afhankelijk mag worden gemaakt van het beschikbaar komen van de resultaten van de VNK-vervolgstudie of de nadere detaillering van het nieuwe veiligheidsbeleid.
Uit een quick scan die de commissie heeft laten uitvoeren naar de verantwoording van de jaarlijkse uitgaven voor onze waterkeringen, kwam naar voren dat een inzichtelijke éénduidige financiële verantwoording van de jaarlijkse uitgaven voor waterkeren ontbreekt. Mutatis mutandis geldt dit eveneens voor de verantwoording van de jaarlijkse uitgaven voor waterbeheer en waterkwaliteit. De commissie pleit voor een meer continue en éénduidige financiële verantwoording van de jaarlijkse uitgaven voor het Nederlandse waterbeheer (waterkeren, waterbeheer, waterkwaliteit). Voor het taakveld waterkeren dient deze verslaglegging ook per dijkring te geschieden.
3.3 Bestuur en risicocommunicatie
Het veiligheidsbeleid staat onvoldoende op de agenda van bestuurders en van andere sectoren. Nog steeds lijkt dit beleid gestuurd te worden door rampen. Na 1953, 1993, 1995 en 1998 was Katrina een trigger voor aandacht met betrekking tot waterveiligheid. Met het verstrijken van de tijd neemt de aandacht voor de risico’s snel af.
De aanpak door verschillende bestuurslagen heeft een versnipperd karakter. De voor waterveiligheid verantwoordelijke overheden zullen zich organisatorisch moeten voorbereiden op de grote gebiedsomvang van overstromingen en de grotere impact van het risico (toename van bevolking en geïnvesteerd vermogen). Uit het onderzoek dat de commissie heeft laten uitvoeren ten behoeve van haar advies inzake crisismanagement bij waterschappen blijkt dat de waterschappen over het algemeen goed voorbereid zijn op crisissituaties. Echter, de ernstige gevolgen van (grote) overstromingen kunnen de gebiedsgrenzen van waterschappen overstijgen. De systematiek van veiligheidsregio’s is onvoldoende toegespitst op de mogelijke omvang en gevolgen van overstromingen.
De burger lijkt waterveiligheid als een opgave te zien die volledig in handen van de overheid ligt en van de kant van de overheid wordt dit verwachtingspatroon doorgaans bevestigd. De burger is – mede daardoor - slecht geïnformeerd over zijn concrete veiligheidssituatie en beschikt ook over onvoldoende handelingsperspectief in geval zich een ramp zou voordoen.
Waterveiligheid is een collectief probleem, maar kan naar de bevolking en direct belanghebbenden beter inzichtelijk worden gemaakt door het uit te splitsen in deelproblemen en regio’s. De commissie beveelt aan om de aanpak op lagere niveaus te concretiseren en uit te splitsen, door de ontwikkeling van een bottum up management- en communicatiesysteem. De verantwoordelijkheid van de overheid voor veiligheid

Bladzijde 6 van 8 Ons Kenmerk AcW-2006/103
betekent ook dat burgers en andere belanghebbenden actief betrokken moeten worden bij het formuleren van een hedendaags veiligheidsbeleid en dat zij geïnformeerd zijn over het strategische denken over veiligheid in hun gebied en woonomgeving.
De commissie heeft in haar advies over crisismanagement bij waterschappen reeds geadviseerd om het crisismanagement af te stemmen op het gebied van de betreffende dijkring. Daarnaast is een goede verankering van de waterschappen in de veiligheidsregio noodzakelijk.
Waterschappen spelen een onmisbare rol bij het realiseren van de waterveiligheid van Nederland. Initiatieven tot vergroting van de efficiency en slagvaardigheid van de samenwerking van de verschillende bij het waterbeheer betrokken bestuurslagen mogen er niet toe leiden dat de inzet, kennis en ervaring van deze (functionele) bestuurslaag onvoldoende gewaarborgd kunnen worden.
In haar eerder uitgebrachte advies over verzekeren en wateroverlast heeft de commissie geadviseerd om een actief voorlichtingsbeleid in te zetten richting burgers en bedrijven aangaande de gebieden met kans op overstroming en wateroverlast. Klimaatverandering, zeespiegelstijging en bodemdaling moeten worden vertaald naar de dagelijkse leefomgeving van de burger. Mensen hebben recht op en krijgen een meer gefundeerde mening en een handelingsperspectief door inzicht in de gevolgen van bijvoorbeeld wateroverlast. Er moet duidelijk, helder en begrijpelijk over risico worden geïnformeerd zonder een groter gevoel van onveiligheid te geven.
De commissie is er voorstander van om het waterrisico met andere omgevingsrisico’s te integreren. De risicokaarten die ten behoeve van de hoogwaterrichtlijn moeten worden opgesteld kunnen hierbij een hulpmiddel zijn. De Wet Publiekrechtelijke beperkingen kan hierbij worden ingezet om de risicokaarten te registreren.
3.4 Wateroverlast
Waterrisico heeft niet alleen betrekking op veiligheid tegen overstromen maar ook op wateroverlast. Wateroverlast als gevolg van hevige regenval wordt met name veroorzaakt door toenemende verstening. Wateroverlast vormt ook een belangrijke autonome factor in het nadenken over rampenbestrijding en crisisbeheersing bij overstroming of het risico daarop (toegankelijkheid vluchtwegen,mobiliteit, evacuatiemogelijkheden). RIONED heeft berekend dat de kosten van maatregelen om wateroverlast tegen te gaan in de richting van € 3 miljard gaan. Een samenhangende, lange termijn aanpak ontbreekt echter. Grote investeringen lijken noodzakelijk, maar financiële reserveringen zijn niet gemaakt.
Daarnaast ontbreekt een éénduidige rapportage door de (vaak logische) koppeling van maatregelen tegen wateroverlast met maatregelen in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur of de Kaderrichtlijn Water. Dit bemoeilijkt de analyse of Nederland in 2015 op orde zal zijn gebracht.
Hierdoor ontstaat het risico dat andere grote investeringen, bijvoorbeeld voor de Kaderrichtlijn Water, voorrang krijgen op investeringen voor waterveiligheid en wateroverlast.
De commissie beveelt aan om onder het motto van waterveiligheid ook aandacht te schenken aan de preventie van wateroverlast. De eerdere problemen in het Westland en de recente problemen in Egmond onderstrepen de noodzaak hiervan. De commissie is van mening dat aparte bouwvoorschriften verplicht moeten worden gesteld voor waterbestendig bouwen (zie ook advies verzekeren en wateroverlast).

Bladzijde 7 van 8 Ons Kenmerk AcW-2006/103
Het stedelijk waterbeheer en de rioleringsproblematiek verdienen grotere aandacht en een planmatige aanpak die garandeert dat de noodzakelijke lange termijn investeringen tijdig inzichtelijk gemaakt en uitgevoerd worden.
3.5 Ruimtelijke ordening, innovatie en waterbelangen
Gegeven het karakter van water als een ‘algemeen belang’ komt dit niet altijd goed aan bod bij de stapsgewijze afweging van belangen in de loop van het ruimtelijke ordeningsproces. Water wordt nog onvoldoende als ordenend principe onderkend in de ruimtelijke ordening. Het komt vaak voor dat in de regionale vertaling van het op rijksniveau geformuleerde waterveiligheidsbeleid belangrijke kwalitatieve onderdelen sneuvelen vanwege specifieke belangen die een rol spelen bij de ruimtelijke ordening (WRR, 2006)4. Tegelijkertijd gaat het bouwen op risicovolle locaties gewoon door en wordt het centrale belang van water stap voor stap naar de achtergrond gedrongen om uiteindelijk geheel ondergesneeuwd te raken. Bovendien zijn er te weinig impulsen voor innovatieve oplossingen. Als er nu niets gebeurt, zullen ruimtevragers zoals kapitaalintensieve industriële- en landbouwbedrijven, verstedelijking en infrastructuur ervoor zorgen dat er straks geen ruimte meer is voor water. Vanwege de hoge kosten zal een rode bestemming niet gemakkelijk te veranderen zijn in een blauwe bestemming.
Het wettelijke instrumentarium (inclusief de watertoets) biedt weliswaar voldoende mogelijkheden om bij de totstandkoming van een bestemmingsplan een afweging te maken tussen de waterhuishoudkundige en de vele andere belangen, maar blijkt in de praktijk als instrument feitelijk onvoldoende gehanteerd te kunnen worden op de beoogde wijze door specifieke politieke en bestuurlijke belangenconstellaties of door de wijze waarop het uitvoeringsproces praktisch is ingericht. Een “VER rapport” (Veiligheid Effect Rapportage, zoals geïntroduceerd door de WRR) zou de besluitvorming in de verschillende overheidslagen kunnen vergemakkelijken.
Bij de aanpak van de Zwakke Schakels langs de kust zullen maatregelen voor waterveiligheid in beleidsmatig, bestuurlijk en organisatorisch opzicht worden gecombineerd met ruimtelijke ordening en natuur. Terecht wordt gestreefd naar het gelijktijdig voldoen aan de beoogde veiligheid en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Het samengaan van waterveiligheid met ruimtelijke ordening en -kwaliteit is echter niet sterk ontwikkeld en steunt onlosmakelijk op het gelijktijdig beschikbaar stellen van de vereiste middelen door de verantwoordelijke bestuurslagen. Bovendien ontbreekt een integrale kustvisie, waardoor het risico bestaat dat de provincies plannen niet op elkaar afstemmen.
Ervan uitgaande dat door de klimaatsverandering de zeespiegel gaat stijgen en de stroom- en golfaanval op de kust toeneemt, zal de erosie van de kust en de zoute kwel verergeren. Hierdoor kan de stabiliteit van de zeereep en het kustfundament in gevaar komen, zeker als door zeewaartse uitbreidingsplannen (voor ruimtelijke ordeningsdoeleinden of ter versterking van nieuwe Zwakke Schakels) de vooroevers nog steiler worden.
De commissie adviseert om potentiële maatregelen ter vergroting van de waterveiligheid, zoals bijvoorbeeld een ander grondgebruik of retentiebekkens beter zichtbaar te maken in bestemmingsplannen. Daarnaast adviseert de commissie om op
4 Klimaatstrategie – tussen ambitie en realisme; alsmede de casus “Waterbeheer en waterveiligheid” van het uit te brengen advies over veiligheid.

Bladzijde 8 van 8 Ons Kenmerk AcW-2006/103
korte termijn voor de kust een overkoepelende visie te maken. De commissie verwacht dat zodoende provinciale plannen beter op elkaar afgestemd worden en innovatieve concepten beter tot ontwikkeling kunnen komen. De noodzaak van een lange termijn visie voor de gehele kust mag overigens niet leiden tot een blokkering van actuele inrichtings- en verdedigingsplannen op regionaal niveau.
Ruimtelijke ordening is een proces met een lange looptijd en beslissingen over de inrichting van Nederland die vandaag genomen worden leiden tot het fixeren van de ruimtelijke situatie voor vele tientallen jaren. De commissie beveelt aan om reeds nu nadrukkelijk te anticiperen op de lange termijnproblematiek. Een andere inrichting/architectuur van ruimtelijke ordeningsprocessen ter effectieve borging van water als ordenend principe is wellicht aan de orde.
De commissie is verheugd te constateren dat haar advies over de Nota Ruimte (het inzichtelijk maken van de lange termijn kosten van beheer en onderhoud van het watersysteem bij ruimtelijke ingrepen) op dit punt is overgenomen5. Vernieuwende bouwontwerpen die deze kosten kunnen voorkomen of verlagen, maken zo eerder een kans. De commissie adviseert dat de overheid vroegtijdig gebruik maakt van de kennis en kunde van de buitenwereld/de markt, zodat er meer aandacht komt voor innovatieve oplossingen voor water in ruimtelijke ordeningsplannen. Een innovatieve aanpak kan niet alleen leiden tot nieuwe inzichten en oplossingen maar creëert ook kansen voor de Nederlandse watersector in haar positionering op de internationale markt.
De commissie zal zich op korte termijn verdiepen in de nakoming van de afspraken tussen de overheden in het kader van Waterbeheer 21e eeuw, op het terrein van water en ruimtelijke ordening. Op basis van de bevindingen zal worden bezien of nog nadere aanbevelingen geformuleerd moeten worden om het wettelijk instrumentarium afdoende te versterken. De ontwikkelingen rondom de bouwplannen voor Westergouwe zullen hierbij als casus dienen.
5 TK 2004-2005, 29 435, nr. 102: Motie nummer 40 van het lid Van Bochove c.s. over water als ordenend principe